1. Inleiding

Auteursrecht, of in het Engels copyright is zonder twijfel het meest bekende en mogelijk meest gevreesde recht. Dit komt omdat het verkregen wordt zonder enige formaliteit en het een vrij uitgebreid toepassingsgebied heeft. Het auteursrecht beschermt de auteursrechthebbende van een origineel werk tegen onrechtmatig gebruik van zijn werk, waaronder de niet geautoriseerde kopiename en aanpassing van het werk.

Het is een misvatting om te denken dat auteursrecht enkel toekomt aan artiesten en auteurs van artistieke werken zoals muziek, beeldhouwkunst of literatuur. De auteursrechtelijke bescherming strekt zich ook uit tot gebruiksvoorwerpen, technische en wetenschappelijke werken edm., zolang aan de vereisten van expressie en originaliteit zijn voldaan. Ook software is op deze wijze auteursrechtelijk beschermd.

2. Toepasselijke wet

Auteursrechtelijke bescherming is in België geregeld onder de Auteurswet van 30 juni 1994. Van dezelfde datum dateert eveneens een specifieke wet voor de auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma’s: de Softwarewet. Deze wet is de omzetting naar Belgisch recht van de Europese Richtlijn 91/250/EEG. Voor zover de Softwarewet geen specifieke andere bepalingen voorziet, is de Auteurswet onverminderd van toepassing.

Wanneer men de auteursrechten op een computerprogramma bestudeert, dient goed het onderscheid tussen software, design en content voor ogen gehouden te worden. Daar waar software valt onder de Softwarewet, is zulks niet het geval voor de content, het design en de gebruikersinterface. Dit kan tot vervelende problemen leiden. Wanneer bv. een werknemer in dienstverband een website ontwikkelt voor zijn werkgever, zullen de vermogensrechten op de software (code) automatisch worden overgedragen aan de werkgever (Artikel 3 Softwarewet). De rechten op de door de werknemer gecreëerde design, content en de gebruikersinterface, worden evenwel niet altijd automatisch overgedragen. Dit zal enkel het geval zijn indien werkgever en werknemer dit expliciet hebben overeengekomen, bv. in de arbeidsovereenkomst. Helaas is dit niet bij alle werkgevers bekend, zodat dit wel eens tot vervelende discussies leidt.

 

Verschillende internationale verdragen, waaronder de Conventie van Bern en de TRIPS-overeenkomst, zorgen ervoor dat de auteursrechtelijke bescherming zich vrijwel wereldwijd uitstrekt.

3. Vereisten voor auteursrechtelijke bescherming

Werken, waaronder ook computerprogramma’s, inclusief het voorbereidende materiaal, worden auteursrechtelijk beschermd voor zover zij een vorm/expressie hebben aangenomen en origineel zijn. Werken die niet aan deze twee voorwaarden voldoen, genieten geen auteursrechtelijke bescherming.

Voor software zijn er op zich geen andere vereisten dan voor andere werken.

A. Vereiste van vorm

Zeer belangrijk om voor ogen te houden is het feit dat het auteursrecht geen ideeën, principes of theorieën beschermt. Het auteursrecht beschermt enkel werken die een concrete vorm hebben aangenomen. Werken die geen of onvoldoende concrete vorm hebben aangenomen, genieten geen auteursrechtelijke bescherming.

Zo zal het idee om een applicatie te maken om op het internet te surfen niet auteursrechtelijk beschermd zijn, maar de individuele browsers (Firefox, Internet Explorer, Chrome, ....) wel.

Men is in principe dus vrij andermans idee over te nemen (zolang men geen andere verplichtingen schendt, zoals bv. een afgesloten vertrouwelijkheidsovereenkomst). Op een zelfde wijze kan men een idee uit een bestaand computerprogramma overnemen of een programma met gelijkaardige eigenschappen ontwikkelen, zolang men de concrete vorm (originele elementen) van het andere programma niet overneemt. Ongenuanceerd kan gesteld worden dat, zolang er geen code wordt overgenomen, er geen sprake is van een auteursrechtelijke inbreuk op software.

B. vereiste van originaliteit/oorspronkelijkheid

Werken, waaronder ook computerprogramma’s, komen enkel voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking voor zover deze voldoen aan de vereiste van originaliteit/oorspronkelijkheid.

Artikel 2 van de Softwarewet bepaalt hieromtrent: “Een computerprogramma geniet bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is. Om te bepalen of het programma voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, mogen geen andere criteria worden aangelegd”.

De vereiste van originaliteit houdt dus in dat de software een eigen intellectuele creatie dient te zijn van de auteur. De eigen stempel van de auteur dient in het programma terug te vinden te zijn. In de praktijk geeft dit criterium vanzelfsprekend vaak aanleiding tot discussie. Wat is immers de persoonlijke stempel van een auteur?

Voor het antwoord op deze vraag kijkt men veelal of de auteur over keuzevrijheid beschikte en of hij oorspronkelijke keuzes heeft gemaakt. Wanneer een bepaalde code technisch noodzakelijk is, bv. door het gebruik van een bepaalde programmataal, de compatibiliteit met andere applicaties of het doel van de applicatie, zal men oordelen dat de auteur geen keuzevrijheid had en dat hij zijn persoonlijke stempel niet op de code heeft kunnen drukken. De desbetreffende software zal dan niet origineel zijn in de zin van de auteurswet en bijgevolg geen auteursrechtelijke bescherming genieten. Hetzelfde geldt voor louter mathematische formules, automatisch door een computer gegenereerde code, banale code en dergelijke meer.

Oorspronkelijkheid is zeker niet hetzelfde als nieuwheid. Een werk dient niet nieuw te zijn om auteursrechtelijke bescherming te genieten. Wanneer twee programmeurs een programma schrijven met dezelfde functies, zullen beide programma’s auteursrechtelijk zijn beschermd voor zover zij voldoen aan de vereiste van originaliteit (de programmeurs oorspronkelijke keuzes hebben gemaakt). Een programma dient evenmin innovatief te zijn om auteursrechtelijke bescherming te genieten.

Andere irrelevante criteria voor het beoordelen van het originele karakter van een werk zijn artistieke waarde, kunstzinnigheid, goede of slechte smaak, kwaliteit van de code en dergelijke meer.

De vorm waarin de code is neergeschreven, broncode, object code in eender welke taal is tevens niet relevant. De auteursrechtelijke bescherming strekt zich uit tot alle varianten van het werk (art. 2 Softwarewet).

Wanneer delen van een bestaand programma worden overgenomen in de nieuwe software spreekt men van een bewerking van het oorspronkelijke programma of van een samengesteld werk indien de verschillende delen duidelijk te onderscheiden zijn. Dit kan enkel met de toestemming van de oorspronkelijke auteur, tenzij de overgenomen software niet auteursrechtelijk is beschermd. Bij free software en open source software, geeft de auteur zijn toestemming via ruime licentievoorwaarden. Deze voorwaarden dienen evenwel te worden gerespecteerd.

4. Onmiddellijke bescherming

Belangrijk om weten is dat het auteursrecht onmiddellijk en vormvrij wordt toegekend. Van zodra een origineel werk vorm krijgt, verkrijgt de auteur een auteursrecht. Hij hoeft hiertoe geen stappen van registratie te ondernemen. Het bewijs van wanneer een programma is gecreëerd kan worden geleverd met alle middelen van recht, inclusief door middel van getuigen en vermoedens.

 

Deze eigenschap van onmiddellijke bescherming, onderscheidt het auteursrecht van ondermeer merken en patenten. Merken en patenten verkrijgt men pas nadat de nodige registraties en betalingen zijn gebeurd. Bovendien dient men jaarlijks instandhoudingstaksen te betalen. Het auteursrecht is daarentegen volledig gratis en vereist geen enkele formaliteit om het in stand te houden.

 

Gezien het auteursrecht automatisch en vormvrij wordt toegekend, is het niet vereist om expliciet te stellen dat het auteursrecht wordt voorbehouden of opgeëist. Het is aan de gebruiker van een recht om aan te tonen dat hij over de nodige rechten (licenties) beschikt.

 

De vermelding © (of voluit copyright) is dan ook niet nodig. Deze vermelding is komen overwaaien uit de Verenigde Staten, maar is sedert deze is toegetreden tot de Bern Conventie ook daar niet meer vereist om auteursrechten te bekomen. Het kan er wel nog nuttig zijn om gerechtigd te zijn op bepaalde schadevergoedingen. Tevens kan het gebruikt worden ter waarschuwing van gebruikers dat het werk auteursrechtelijk is beschermd en dat de auteur niet zal nalaten zijn rechten af te dwingen. Hoewel het symbool dus niet verplicht is, is het aanbevolen het toch aan te brengen.

 

De vermelding is als volgt internationaal gestandaardiseerd: © (of copyright) naam van de auteur – jaar van eerste publicatie.

Bv.: © Ywein Van den Brande 2012

 

Het teken dat als tegenhanger wordt naar voren geschoven is het copyleft symbool (een omgekeerde c in een cirkel). Dit teken wordt gebruikt om aan te geven dat het werk vrij kan worden gebruikt onder beperkte restricties. Het gebruik van copyleft werken impliceert dat distributie van verbeteringen en afgeleide werken eveneens onder een copyleftlicentie dient te gebeuren.

 

 

5. Voorwerp van bescherming

Artikel 1 van de Softwarewet stelt dat computerprogramma’s, het voorbereidend materiaal daaronder begrepen, auteursrechtelijk worden beschermd zoals werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie.

 

Aangezien definities al snel achterhaald zouden zijn in een digitale omgeving, heeft de wetgever bewust vermeden software te definiëren. In plaats daarvan heeft de wetgever ervoor geopteerd de bescherming te verlenen aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm ook, van computerprogramma’s. Dit houdt in dat alle vormen weze het broncode, objectcode of welke vorm ook, begrepen zijn in de auteursrechtelijke bescherming. De bescherming strekt zich zelfs uit tot het voorbereidende materiaal, zoals notities, schetsen en dergelijke meer.

 

Zeer belangrijk is dat de Softwarewet in artikel 2 letterlijk bepaalt: “De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet auteursrechtelijk beschermd”. De auteursrechtelijke bescherming strekt zich dus enkel uit tot de vorm van het programma en niet tot de onderliggende ideeën en beginselen. Het is in beginsel dan ook niet onrechtmatig om een programma te schrijven (from scratch) dat dezelfde functionaliteiten heeft als een reeds bestaand programma. Er mogen wel geen originele elementen worden overgenomen.

 

Hierbij dient men wel voor ogen te houden dat de auteursrechtelijke bescherming zich op verschillende niveaus uitstrekt. Het is mogelijk dat niet alleen de code, maar ook de structuur van een programma origineel is. In dergelijk geval zal ook de structuur van het programma auteursrechtelijke bescherming genieten en niet kunnen worden overgenomen.

 

Het overnemen van code van derden in de eigen code verhindert niet dat het aldus gecreëerde programma origineel zou zijn. Er dient hierbij wel over te worden gewaakt dat men over de nodige toestemming beschikt en dat de licenties die men op het eindproduct verleent niet in strijd zijn met de licentie die men van de derde heeft verkregen.

 

Een bijzonder aandachtspunt is dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de software (code), de content en het design/interface. Waar de bescherming van de software wordt geregeld onder de Softwarewet, wordt deze van de content en het design/interface in principe geregeld onder de Auteurswet. Dit kan aanleiding geven tot vreemde situaties en conflicten. Dit onderscheid werd recentelijk nog bevestigd door het Europese Hof van Justitie. Volgens het Hof valt de gebruiksinterface “als zodanig” niet onder het auteursrecht op het programma. Dit beschermt enkel de verschijningsvorm “waardoor de computer zijn taken kan uitvoeren”. En hieraan voldoet de gebruikersinterface niet. De gebruikersinterface is volgens het Hof “louter een element van het programma dat de gebruikers de mogelijkheid biedt om dit programma optimaal te gebruiken”. De gebruikersinterface geniet dus geen bescherming als onderdeel van de software. Deze zal enkel auteursrechtelijk zijn beschermd wanneer deze zelf origineel is (wanneer de interface creatief is ontworpen). De ontwerper zal zich enkel kunnen verzetten tegen de overname van zijn creatief ontworpen grafisch werk. De elementen die “louter worden gekenmerkt door hun technische functie” en de ideeën aan de basis van de interface zijn niet beschermd. Daarmee zou een functie immers kunnen worden gemonopoliseerd en dat is niet het doel van het auteursrecht.

6. Titularis van de Auteursrechten

A. De auteur

De Auteurswet voorziet dat auteursrechten ontstaan in hoofde van de maker van het werk. De rechten komen in principe dus toe aan de natuurlijke persoon, maker van het werk.

 

Onder de Softwarewet is dit niet steeds het geval. De Softwarewet maakt het onderscheid tussen werknemers en niet-werknemers. Voor werken gecreëerd door werknemers in dienstverband en ambtenaren onder statuut, voorziet de Softwarewet in artikel 3 in een specifieke regeling. Deze regeling bepaalt dat alleen de werkgever geacht wordt verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot computerprogramma’s die zijn gemaakt door een of meer werknemers of beambten bij de uitoefening van hun taken of in opdracht.

 

Deze specifieke regeling heeft enkel betrekking op computerprogramma’s. Werken die worden gecreëerd in dienstverband en die geen computerprogramma zijn, zoals content verwerkt in het computerprogramma en vaak ook specifieke designs van de grafische interfaces van het computerprogramma, vallen niet onder deze specifieke regeling. Wanneer niet anders is voorzien in het arbeidscontract of -reglementen, zullen de vermogensrechten hierop niet automatisch worden overgedragen aan de werkgever. Het is daarom aanbevolen dergelijke overdracht altijd contractueel te voorzien in de arbeidsovereenkomst.

 

Op computerprogramma’s die worden gecreëerd door niet-werknemers (zoals bv. onderaannemers of zelfstandige consultants), is het gemeenrechtelijke regime van toepassing. Dit wil zeggen dat de auteursrechten op deze computerprogramma’s liggen bij de maker ervan. Het feit dat de opdrachtgever de maker heeft betaald om het programma te maken, doet niet terzake. Dit geeft vaak aanleiding tot onaangename verrassingen bij partijen die dienen vast te stellen dat ze geen eigenaar zijn van de code van een softwareapplicatie hoewel ze de ontwikkeling ervan hebben betaald. Een goed contract biedt hier de oplossing.

 

B. Meerdere auteurs

Hoewel software kan worden geschreven door één persoon, is het vaak zo dat na enige tijd de software het resultaat is van het werk van meerdere auteurs die aanspraken kunnen formuleren. De vraag stelt zich dan of door de latere aanvullingen het een werk ontstaan uit samenwerking betreft, dan wel of het een eindproduct is en elk product ontstaan tijdens de verdere evolutie van de software, een afgeleid werk is. De juridische gevolgen verschillen immers.

 

Om van een werk ontstaan uit samenwerking te spreken is het niet vereist dat elke medeauteur een even grote prestatie heeft geleverd. Het is evenmin vereist dat de medeauteurs op eenzelfde ogenblik hebben gewerkt. Meestal zal dat niet het geval zijn. Om medeauteur te kunnen zijn, is wel vereist dat de bijdrage auteursrechtelijk beschermbaar is. De aanbrenger van een idee is geen medeauteur, noch de persoon die een technische fout corrigeert of louter instructies opvolgt.

 

Bovendien is om van een werk ontstaan uit samenwerking te spreken vereist dat het werk door twee of meer personen gemaakt is die samen, in overleg, vanuit eenzelfde geest, de software gecreëerd hebben.

 

Daar waar de eerste versie van een softwareapplicatie, indien deze door meerdere personen is geschreven, doorgaans zal kwalificeren als een werk ontstaan uit samenwerking, is zulks veel minder het geval voor de latere versies, waar steeds wordt verder geborduurd op het originele werk, zonder dat er evenwel sprak is van “concertatie” tussen de auteurs. Deze latere versies zullen kwalificeren als afgeleide werken.

 

Er is een substantieel verschil tussen de rechten van de oorspronkelijke medeauteurs en van diegenen die later verder borduren op het oorspronkelijke werk.

C. Rechten van de oorspronkelijke medeauteurs

Tenzij de onderdelen van de software duidelijk te onderscheiden zijn, zal het meestal gaan om ondeelbare werken. Dat zijn werken waarbij niet duidelijk kan worden opgemaakt welke de individuele bijdrage van elke auteur is, bv. wanneer twee auteurs samen een tekst schrijven.

 

Bij ondeelbare werken zijn de auteurs vrij om bij overeenkomst de uitoefening van de auteursrechten te regelen. Deze vrijheid gaat zeer ver. De medeauteurs kunnen overeenkomen op welke wijze het programma openbaar wordt gemaakt (bv. als open source) en hoe beslissingen omtrent de auteursrechten worden genomen, bv. bij gewone of bijzondere meerderheden, of aan één van hen het recht geven alle beslissingen hieromtrent te nemen. Tevens kunnen ze tal van afspraken maken met betrekking tot de morele rechten, zoals onder wiens naam het werk zal worden gepubliceerd.

Indien de medeauteurs geen overeenkomst sloten, mag geen van de auteurs het auteursrecht afzonderlijk uitoefenen. Unanimiteit is hier immers vereist. Bij gebrek aan unanimiteit dient de rechter te beslissen.

D. Rechten van latere auteurs

De auteur(s) van het afgeleide of samengestelde werk hebben als enigen een auteursrecht op hun werk. Dit is een zelfstandig en volwaardig auteursrecht, dat evenwel wordt ingeperkt doordat het afgeleide of samengestelde werk niet kan worden geëxploiteerd zonder de toestemming van de houder van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk.

Een programmeur die code van een derde in zijn software verwerkt, zal de licentievoorwaarden waaronder hij deze code gebruikt dan ook ten allen tijde moeten respecteren.

7. De auteursrechten

A. Inleiding

De Auteurswet onderscheidt twee groepen van rechten van de auteur: de vermogensrechten en de morele rechten. Dit onderscheid wordt eveneens gemaakt voor de auteursrechten op software.

De vermogensrechten, ook wel materiële rechten genoemd, hebben betrekking op de exploitatie van het werk. De morele rechten betreffen de persoonlijke band van de auteur met zijn werk.

Gezien het specifieke technische karakter van software, is de invulling van deze rechten niet volledig hetzelfde als onder de (algemene) Auteurswet. De Softwarewet heeft haar eigen specifieke voorzieningen.

B. Vermogensrechten (art. 5 Softwarewet)

– Reproductierecht

Het reproductierecht houdt in dat de houder van de auteursrechten als enige het recht heeft om het computerprogramma te kopiëren. Dit moet uitgebreid worden opgevat: voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma de reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist. Dat deze reproductie slechts tijdelijk of gedeeltelijk zou zijn, is niet relevant. Van zodra de reproductie geschiedt, is toestemming van de rechthebbende vereist.

Dit recht betreft de reproductie van het programma in eender welke vorm en op eender welke wijze. Het recht is techniek onafhankelijk.

De rechthebbende zal zijn toestemming doorgaans kenbaar maken door een licentie op zijn werk te verlenen. In deze licentie zijn de voorwaarden vermeld waaronder de toestemming wordt verleend. De toestemming kan bv. worden beperkt in tijd, tot een bepaald aantal gebruikers, voor een bepaalde infrastructuur en dergelijke meer. De licentie kan ook meer creatieve verplichtingen opleggen, zoals bv. de copyleftverplichting.

De omstandigheid dat een reproductie voor persoonlijk gebruik zou geschieden is niet relevant. Ook particulieren dienen over de nodige licenties te beschikken.

– Recht op vertaling, bewerking en arrangement

Bij het programmeren wordt vaak gebruik gemaakt van reeds bestaande applicaties of broncode. Het bewerken van deze code of het integreren van dergelijke reeds bestaande code in een nieuwe applicatie is enkel toegestaan mits toestemming van de rechthebbende. Deze toestemming, die veelal via een licentie wordt verleend, kan voorwaarden inhouden. Deze licentievoorwaarden dienen te worden gerespecteerd.

Ook het vertalen van de software of het anderszins bewerken ervan is aan de toestemming van de rechthebbende onderworpen.
Wanneer de wijzigingen die worden aangebracht op zich origineel zijn, zal de auteur van de gewijzigde versie een eigen zelfstandig auteursrecht hebben op zijn wijzigingen. Hij zal de gewijzigde versie echter niet kunnen exploiteren zonder de toestemming van de rechthebbende van de oorspronkelijke software.

– Distributierecht

Het distributierecht houdt het recht in om het computerprogramma te verdelen onder het publiek. Computerprogramma’s worden doorgaans verspreid onder een licentie. Een licentie is een gebruiksrecht dat door de rechthebbende op het programma wordt verleend.

 

Ook dit recht dient uitgebreid te worden geïnterpreteerd. Het houdt volgens de wet zowel het verhuren, uitlenen, verkopen en dergelijke meer in. De eerste verkoop in de Europese Unie van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt evenwel tot uitputting van het recht om controle uit te oefenen op de verdere distributie van die kopie in de Europese Unie, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren en het uitlenen van het programma of een kopie daarvan.

– Recht van mededeling aan het publiek

De auteur heeft het recht om zijn werk aan het publiek mee te delen. Dit houdt in het beschikbaar stellen van het werk aan het publiek (visueel, auditief, …) zonder dat hiertoe telkens een afzonderlijke kopie van het werk wordt gemaakt. Oorspronkelijk betrof dit handelingen als het tentoonstellen van het werk, het houden van een voordracht, het opvoeren van een toneelstuk in een theater enz. Nu worden hier eveneens de nieuwe vormen van verspreiden van werken onder begrepen, zoals het beschikbaar stellen van een applicatie via netwerken, het streamen van een live uitzending over het internet, het posten van een blog of een video op Youtube etc.

 

– Het recht tot verhuren en uitlenen

 

Het verhuren of uitlenen van een auteursrechtelijk beschermd werk vereist eveneens de toestemming van de auteursrechthebbende.

 

– Uitzonderingen op de vermogensrechten (art. 6 en 7 Softwarewet)

 

Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald, is er geen toestemming vereist om een computerprogramma te manipuleren wanneer dit voor de rechtmatige gebruiker noodzakelijk is om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, met inbegrip van het verbeteren van fouten.

 

Verder mag de reproductie in de vorm van een reservekopie door de rechtmatige gebruiker van het computerprogramma niet worden verboden, voor zover die kopie noodzakelijk is om het programma te kunnen gebruiken.

 

De rechtmatige gebruiker van een kopie van een computerprogramma is eveneens gemachtigd om zonder toestemming van de rechthebbende de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het computerprogramma.

 

Er is tenslotte geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma’s tot stand te brengen, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

a) de reproductie en de vertaling worden verricht door een persoon die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor zijn rekening door een daartoe gemachtigd persoon;

 

b) de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen zijn hem nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar gesteld;

 

c) de reproductie en de vertaling blijven beperkt tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van deze compatibiliteit noodzakelijk zijn.

 

Wel kan de informatie die zo wordt verkregen niet:

 

a) voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma worden gebruikt;

 

b) aan derden worden meegedeeld, tenzij die mededeling noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma;

 

c) worden gebruikt voor de ontwikkeling, produktie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in wezen gelijk computerprogramma, noch voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd.

 

Deze laatste uitzondering mag niet zodanig worden toegepast dat ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende ontstaat of het normale gebruik van het computerprogramma belemmerd wordt.

 

Deze uitzonderingen zijn van dwingend recht. Wanneer het licentiecontract afwijkende bepalingen voorziet, zal de rechter deze niet toepassen.

 

C. Morele rechten

 

De morele auteursrechten betreffen de persoonlijke band van de auteur met zijn werk. Het zijn het divulgatierecht, het vaderschapsrecht en het recht op eerbied.

 

– Het divulgatierecht

 

Alleen de auteur heeft het recht om te besluiten dat zijn werk klaar is of geschikt is om te worden medegedeeld aan het publiek. Dit wordt zijn divulgatierecht genoemd.

 

Wanneer een auteur een manuscript ter beoordeling opzendt naar een uitgeverij, mag de uitgeverij dit boek niet zomaar publiceren. Enkel de auteur kan oordelen of zijn werk geschikt is om te worden gedrukt.

 

– Het vaderschapsrecht

 

Het vaderschapsrecht is het recht om als auteur van het werk te worden erkend. Een auteur kan derden verplichten om zijn naam op het werk te vermelden. Dit is bv. het geval bij de Creative Commons “Attribution” licentie. Omgekeerd kan een auteur ook beslissen om een werk onder een pseudoniem te verspreiden of volledig anoniem.

 

– Het recht op eerbied voor het werk

 

Op basis van zijn recht op eerbied voor het werk (ook recht op integriteit genoemd), kan de auteur zich verzetten tegen iedere wijziging of vervorming van zijn werk. Zo kan een auteur zich bv. verzetten tegen het maken van een ingekorte versie van zijn boek. Dit recht is evenwel niet absoluut. Zo zal een architect zich op basis van zijn recht op integriteit van zijn werk niet kunnen verzetten tegen noodzakelijke moderniseringswerken aan een gebouw, zoals de installatie van een lift.

 

– Morele rechten op software

 

Artikel 4 van de Softwarewet erkent expliciet de morele rechten van de auteur op software. In de wet wordt verwezen naar artikel 6bis 1 van de Berner Conventie. Deze Conventie erkent zowel het recht om het vaderschap op te eisen als zich te verzetten tegen eeraantastende wijzigingen en toepassingen van het werk. Deze twee rechten blijven gelden na de overdracht van de patrimoniale rechten en na de dood van de auteur, tot minimaal na het verstrijken van de vermogensrechten. Het recht op divulgatie is niet in de conventie ingeschreven. Desondanks kan worden geargumenteerd dat via de omweg van het gemeen recht voor literaire werken ook dit recht als moreel recht op software moet worden erkend: bij gebreke aan een specifieke regeling in de softwarewet, dient het gemene regime voor literaire werken immers te worden toegepast.

 

Of een auteur al zijn rechten op een werk kan opgeven, is een heikel punt gelet op de principiële onvervreemdbaarheid van de morele rechten. Hoewel afstand van morele rechten in principe kan, is de globale afstand van de toekomstige uitoefening van morele rechten nietig, ook wat betreft morele rechten op software. De reden hiervan is de persoonlijke band tussen het werk en de auteur. De vermogensrechten daarentegen, zijn wel overdraagbaar aan derden.

 

Dit kan tot problemen leiden. Zo bepaalt de Open Source Definitie (de definitie aan de basis van Open Source Software) dat de auteur van onder een open source licentie verspreide software, zich niet kan verzetten tegen de aanwending van de software door bepaalde personen en groepen of voor bepaalde toepassingsgebieden. Onder Belgisch recht kan men zich vragen stellen bij de afdwingbaarheid van dergelijke clausule. De auteur van het onder open source licentie verspreidde werk zal zich onder Belgisch recht op basis van zijn morele rechten wellicht kunnen blijven verzetten tegen ieder gebruik van zijn werk door personen of groepen of voor bepaalde doeleinden, welke zijn eer of reputatie aantasten. Men kan zich evenwel de vraag stellen of dit voor technologische toepassingen zoals software wel wenselijk is.

 

Morele rechten werken door naar afgeleide werken. De auteur van het oorspronkelijke werk kan zich op basis van zijn morele rechten niet alleen verzetten tegen de aanwending door derden van zijn werk, maar ook tegen de aanwending van afgeleide werken welke zijn eer of reputatie aantasten.

8. Beschermingsduur

 

Het auteursrecht ontstaat automatisch bij de creatie van het werk en verstrijkt 70 jaar na de dood van de auteur. Deze termijn gaat in op 1 januari van het jaar volgend op de dood van de auteur.

 

Wanneer er meerdere auteurs zijn, strekt de bescherming tot 70 jaar na de dood van de langstlevende medeauteur.

 

In geval van anonieme werken vangt de termijn van 70 jaar aan vanaf de openbaarmaking.

 

Er zijn geen formaliteiten vereist om het auteursrecht in stand te houden.

auteursrecht

Ywein Van den Brande
editie 2012
contacteer crealaw
ICT Law Partners bvba
Witte Patersstraat 4
B- 1040 Brussel 
Btw: BE 0832.298.008
  • Black LinkedIn Icon

Copyright © 2017 Crealaw - ICT Law Partners