top of page

1. Inleiding

 

Patenten en software zijn een ongemakkelijke combinatie. Dit is in grote mate veroorzaakt doordat nationale en internationale wetteksten bepalen dat software als zodanig (as such) van octrooieerbaarheid is uitgesloten.

 

Deze uitsluiting is voor vele softwareontwikkelaars moeilijk verteerbaar. Ideeën en concepten zijn onder het auteursrecht niet beschermbaar en het aanvragen van een patent –dat innovatieve ideeën bescherming biedt- is voor software als zodanig niet mogelijk. Volgens hen zit daar een belangrijke lacune in de wetgeving. Tegenstanders van softwarepatenten opperen dan weer dat het patenteren van software tot een blokkering van de markt zal leiden. Het idee alleen al doet hen de haren rijzen.

 

Tot welk kamp men ook behoort, men kan niet om het feit heen dat er heel wat patenten op software bestaan. Hieronder wordt een stand van zaken gegeven.

 

2. Toepasselijke wet

 

Octrooien zijn in België geregeld onder de Octrooiwet van 28 maart 1984.

 

Daarnaast zijn er ook een aantal internationale verdragen, waaronder het Verdrag van Parijs (het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883), het Samenwerkingsverdrag (het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970) en het Europees Octrooiverdrag (het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, opgemaakt te München op 5 oktober 1973).

 

3. Patenten in kort bestek

 

A. Wat is een patent?

 

Een patent of een octrooi verleent een exclusief en tijdelijk recht van exploitatie aan uitvindingen (art. 2 Octrooiwet). De houder van het patent, krijgt met andere woorden van overheidswege het tijdelijke monopolie om de uitvinding als enige te exploiteren. Het octrooirecht geeft de houder het recht om anderen te verbieden van het patent gebruik te maken of de uitvinding na te maken.

 

Het verleende monopolie is dus tijdelijk. Het wordt toegekend voor een periode van 20 jaar (art. 39 Octrooiwet). Na het verstrijken ervan vervalt de bescherming.

 

In tegenstelling tot auteursrechten verkrijgt men een patent niet automatisch. Een patent dient te worden aangevraagd bij het octrooibureau via een specifieke aanvraagprocedure. Belangrijk om weten is dat de uitvinding hierdoor wordt bekendgemaakt. Met het aanvragen van een patent riskeert men dus kapers in te lichten.

 

De idee achter de publicatie is dat deze anderen toelaat om op het patent verder te bouwen. Dit zou niet mogelijk zijn, mocht de uitvinder zijn uitvinding geheim houden. Aldus poogt het octrooirecht bij te dragen aan de technologische vooruitgang. Zowel voortbrengsels (producten) als werkwijzen (procedés) kunnen worden gepatenteerd. In tegenstelling tot het auteursrecht beschermt een octrooi wel de idee achter de uitvinding.

 

Eens het octrooi is toegekend, dient het in stand te worden gehouden door het betalen van jaarlijkse taksen. Deze zijn afhankelijk van land tot land. Voor octrooien verkregen via de Europese of internationale procedure dienen in elk land de ‘nationale’ jaarlijkse taksen te worden betaald. Elk octrooi blijft afzonderlijk geldig zolang de taksen in het betrokken land worden betaald. Worden deze taksen niet betaald, dan vervalt het octrooi onherroepelijk. Taksen retroactief betalen is niet mogelijk. Een octrooi kan maximaal 20 jaar in stand worden gehouden en deze termijn kan niet worden verlengd (er is een uitzondering voor bepaalde farmaceutische producten waarvoor een aanvullend beschermingscertificaat kan worden verkregen).

 

Wanneer de staat van het octrooi verandert, bv. het wordt verkocht of in licentie gegeven, dan dient dit te worden gemeld aan het nationale octrooibureau.

 

B. Wat is een uitvinding?

 

Patenten worden toegekend aan uitvindingen. Maar wat zijn dan uitvindingen? De wet geeft geen antwoord op deze vraag. Ook de rechtspraak brengt ons niet veel verder. De enige richtlijn die kan worden gevonden is dat een uitvinding een technisch karakter dient te hebben en dient bij te dragen tot de stand van de techniek. De wet geeft wel een opsomming van wat een uitvinding zeker niet is (art. 3 en 4 Octrooiwet):

 

1) Ontdekkingen:

Ontdekkingen dienen te worden onderscheiden van uitvindingen. Waar uitvindingen een innovatieve oplossing vinden voor een technisch probleem, hebben ontdekkingen betrekking op iets dat reeds in de natuur aanwezig is. Ontdekkingen kunnen niet worden gepatenteerd.

 

2) Natuurwetenschappelijke theorieën en wiskundige methoden:

Natuurwetenschappelijke theorieën en wiskundige methoden geven een loutere verklaring van een natuurlijk verschijnsel of zijn te abstract. Ook zij zijn niet patenteerbaar.

 

3) Esthetische vormgevingen en presentatie van gegevens:

Esthetische vormen genieten bescherming onder het auteursrecht of als model, eventueel zelfs als merk. Zij genieten geen bescherming onder het octrooirecht. Hetzelfde geldt voor de presentatie van gegevens op bv. een website of in een boek.

 

4) Stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering:

Dit is een belangrijke uitsluitingsgrond. Onder meer methoden voor boekhouding, financiën en bedrijfsvoering zijn van octrooiering uitgesloten. Dit staat in schril contrast met de toestand in de Verenigde Staten, waar ‘business methods’ wel degelijk kunnen worden gepatenteerd.

 

5) Computerprogramma’s:

Software is van patentering uitgesloten. Maar let op, het betreft hier software “als dusdanig”. “Software met een verder technisch effect” komt dan weer wel voor patentering in aanmerking. Deze uitsluitingsgrond wordt restrictief toegepast. Er werden inmiddels reeds heel wat computerprogramma’s gepatenteerd.

 

Uiterst belangrijk om voor ogen te houden is dat de uitsluiting van octrooieerbaarheid van de hierboven genoemde elementen alleen betrekking heeft op deze elementen als zodanig. Zij kunnen wel degelijk worden geoctrooieerd wanneer zij deel uitmaken van een geheel waarin dat element werd geïncorporeerd. Langs deze omweg werden reeds zeer vele computerprogramma’s gepatenteerd, bv. als onderdeel van een telefoon, videorecorder edm.

 

6) Uitgesloten uitvindingen:

Bepaalde uitvindingen zijn niet octrooieerbaar. Het betreft voornamelijk uitvindingen die betrekking hebben op het voortbrengen en creëren van planten- en dierenrassen en op de genen van mensen en het klonen ervan. Ook uitvindingen in strijd zijn met de openbare orde of met de goede zeden komen niet in aanmerking. Deze materie is uitermate ingewikkeld. Uitvinders in deze sector dienen gespecialiseerd advies te zoeken om te bestuderen of de uitsluitingsgronden op hun werk van toepassing zijn.

 

C. Wie kan een patent aanvragen?

 

Het recht op een octrooi komt toe aan de uitvinder of aan zijn rechtverkrijgende.

 

Zowel voor de Belgische als Europese procedure geldt het first-to-file principe. Indien verscheidene personen de uitvinding onafhankelijk van elkaar hebben gedaan, heeft degene wiens patentaanvraag de oudste datum van indiening heeft recht op het patent. De eerste aanvrager is dus de rechthebbende op een octrooi, ook al heeft hij niet als eerste de betreffende uitvinding gedaan.

 

De patentautoriteiten gaan niet na of de aanvrager van het patent wel degelijk de uitvinder of zijn rechtverkrijgende is. Er geldt een vermoeden dat dit zo is. Mocht zulks niet het geval zijn, is het aan de uitvinder of zijn rechtverkrijgende om voor de rechtbanken een procedure in te stellen tot revindicatie.

 

De uitvinder heeft steeds het recht op vaderschap van de uitvinding: dit is het recht om als dusdanig in het octrooi vermeld te worden; hij kan zich ook tegen een dergelijke vermelding verzetten. Uitvindingen door werknemers en ambtenaren volgen een specifieke regeling.

 

D. Voorwaarden

 

Om in aanmerking te komen voor een patent, dient een uitvinding te voldoen aan drie voorwaarden: nieuwheid, uitvindingshoogte en industriële toepasbaarheid (art. 2 Octrooiwet).

 

1. Nieuwheid

 

Waar nieuwheid onder het auteursrecht geen beschermingsvereiste is, is dit wel het geval voor het verkrijgen van een octrooi. De absolute nieuwheid van de uitvinding op de datum van indiening is strikt noodzakelijk voor het verkrijgen van een octrooi.

 

Om te oordelen of een uitvinding nieuw is, wordt gekeken naar de stand van de techniek op het ogenblik van de indiening van de octrooiaanvraag. De stand van de techniek bestaat uit al wat tot op dat ogenblik op welke wijze ook publiek is gemaakt, bijvoorbeeld door commercialisering, publicatie enz. Elke publicatie, openbare tentoonstelling, commercialisering van de uitvinding waar ook ter wereld, vóór de datum van indiening, kan gebruikt worden om de nieuwheid van de uitvinding te betwisten, en het octrooi te laten vernietigen. Geheimhouding tot op het moment van octrooiaanvraag is dus een must voor elke uitvinder. Zelfs het openbaren van de uitvinding aan één enkel persoon die niet door geheimhouding is gebonden, kan de nieuwheid van de uitvinding in gevaar brengen. De nieuwheid kan door de uitvinder zelf in gedrang worden gebracht doordat bv. hij erover publiceert of deelneemt aan een conferentie voor de datum van indiening van de octrooiaanvraag.

 

Mocht het –bv. om fondsen te verzamelen voor de ontwikkeling- nodig zijn om de uitvinding aan een derde partij bekend te maken, dan dient voorafgaandelijk een vertrouwelijkheidsovereenkomst (of Non-Disclosure Agreement, NDA) te worden afgesloten.

 

2. Uitvindingshoogte

 

Een uitvinding dient niet enkel nieuw te zijn, ze dient tevens van een zekere uitvinderswerkzaamheid te getuigen. Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor een deskundige ter zake niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. De uitvinding moet dus niet enkel geen deel uitmaken van de stand van de techniek (nieuwheid), zij mag er evenmin op een voor de hand liggende wijze uit voortvloeien. Het beoordelingscriterium is dit van een goed gedocumenteerd deskundige in het vakgebied.

 

Wat voor een deskundige evident is en wat niet, is een vaag criterium. Alleszins is het niet zo dat de uitvinding niet mag steunen op elementen die algemeen bekend zijn. Gewoonlijk volstaat het om aan te tonen dat de uitvinding een nieuw resultaat beoogt of een effect bekomt dat niet te verwachten was uit de stand van de techniek. Ook het combineren van bekende elementen op een nieuwe wijze, kan van uitvinderswerkzaamheid getuigen.

 

Hoewel de uitvinding van een zekere creativiteit (uitvinderswerkzaamheid) dient te getuigen, dient zij niet geniaal te zijn.

 

3. Industriële toepasbaarheid

 

Tenslotte dienen uitvindingen om geoctrooieerd te kunnen worden toepassing te kunnen vinden in de nijverheid (industrie).

 

Een uitvinding wordt voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar geacht, indien het onderwerp daarvan kan worden vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, de landbouw inbegrepen. Dit zal het geval zijn indien ze een zekere technische achtergrond heeft en een concreet realiseerbaar economisch voordeel kan opleveren. De meeste computersoftware voldoet aan deze voorwaarde.

 

In de praktijk zal deze voorwaarde de octrooiering zelden beletten. Wel bepaalt de wet dat chirurgische ingrepen en geneeskundige behandelingen voor dieren en mensen niet beschouwd worden als uitvindingen die vatbaar zijn voor toepassing op het gebied van de nijverheid.

 

E. Waar een patent aanvragen?

 

Patenten worden territoriaal toegekend. Waar een auteursrecht automatisch wereldwijd wordt erkend, dient een patent te worden geregistreerd in ieder land waarin bescherming wordt gewenst.

 

Hoewel vaak wordt gesproken van een “Europees octrooi”, bestaat dit als zodanig niet. Via de Europese procedure kan men wel via één aanvraag en één procedure bescherming verkrijgen in alle landen die zijn aangesloten bij het Europese octrooiverdrag. Dit zijn de landen van de Europese Gemeenschap en enkele bijkomende landen waaronder Zwitserland en Turkije. De bescherming strekt zich niet automatisch uit over alle aangesloten landen. De landen waar men bescherming wil, dienen expliciet te worden aangekruist op de aanvraag. Hoe meer landen men aankruist, hoe hoger de overeenstemmende taksen. Wanneer men evenwel voor zeven landen betaalt, geldt de bescherming automatisch voor alle aangesloten landen.

 

Uitvinders die het groots zien, kunnen eveneens een internationale octrooiaanvraag doen. Deze procedure zorgt op een vereenvoudigde wijze voor het verkrijgen van patenten binnen alle landen die zich hebben aangesloten bij het Patent Cooperation Treaty. Aldus kan een bescherming verkregen worden die zich vrijwel wereldwijd uitstrekt.

 

Patenten kunnen worden aangevraagd bij de nationale patentenbureaus. In België is dit de Dienst voor de Intellectuele Eigendom te Brussel. Voor de Europese procedure kan men zich rechtstreeks wenden tot het Europese Octrooibureau (European Patent Office). Dit kan online via www.epoline.org.

 

F. Belgische aanvraagprocedure

 

1. Indienen aanvraag

 

Om een patent aan te vragen dient het standaard aanvraagformulier te worden ingediend bij de Dienst voor de Intellectuele Eigendom (Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand & Energie, Algemene Directie Regulering en Organisatie van de Markt, Dienst voor de Intellectuele Eigendom, Koning Albert II – laan 16, B-1000 Brussel). Het aanvraagformulier kan per brief, in persoon of per fax (waarna binnen de 14 dagen een originele versie ter bevestiging bij de Dienst moet toekomen) worden ingediend. Men kan de patentaanvraag zelf indienen, of zich laten bijstaan door een specialist ter zake (een advocaat of erkende octrooigemachtigde). Gelet op het hoge technische karakter van de formulering van de aanvraag, is dit laatste zeker aangewezen. De aanvraag kan worden gedaan in elke van de drie landstalen.

 

2. Inhoud van de aanvraag

 

Vooreerst gaat de Dienst voor de Intellectuele Eigendom na of de aanvraag correct is ingevuld. Enkel wanneer dit het geval is, wordt een datum van indiening toegekend. Deze datum is bepalend voor de beoordeling van nieuwheid en voor de voorrang tussen verschillende octrooiaanvragen.

 

De aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

 

a. Formeel verzoek tot verlenen van het octrooi.

 

b. De identiteit van de aanvrager.

 

c. Een beschrijving van de uitvinding:

Deze beschrijving dient dermate duidelijk te zijn dat zij door een deskundige ter zake kan worden toegepast. Ze dient evenwel enkel ter interpretatie van de uitvinding. De beschermingsomvang wordt bepaald in de conclusies.

 

d. Tekeningen:

Het toevoegen van tekeningen is facultatief. Zij zijn enkel vereist indien ze nodig zijn om de uitvinding te begrijpen.

 

f. Eén of meerdere conclusies:

De conclusies, ook wel claims genoemd, vormen het hart van het patent. Zij beschrijven datgene wat de uitvinder als zijn uitvinding claimt en daarmee ook het monopolie dat hem wordt toegekend. Aan de hand van de conclusies zal worden bekeken of beweerde namaak al dan niet het patent schendt. De toegevoegde beschrijving van de uitvinding en tekeningen dienen louter ter interpretatie. Het zijn de conclusies die de beschermingsomvang van het patent bepalen.

 

Formuleert men de conclusies te beperkend, dan is de beschermingsomvang van het patent beperkt en kunnen concurrenten mogelijk om het patent heen. Formuleert men de conclusies te ruim, dan wordt het patent mogelijk niet toegekend. Een goed evenwicht vinden is dus zeer belangrijk en hiervoor raadpleegt u dan ook best een specialist.

 

g. Een uittreksel:

Abstract: Dit is alleen bedoeld als technische informatie voor derden.

 

h. De volmacht voor een vertegenwoordiger:

Dit is enkel nodig indien men zich laat vertegenwoordigen door een erkende octrooigemachtigde, advocaat, werknemer,…

 

3. Timing van de aanvraag

 

Om een geldige aanvraag in te dienen en een vaste datum te verkrijgen, volstaat het dat men de essentiële gegevens vermeldt. Dit zijn de verklaring dat een octrooi wordt aangevraagd, de gegevens waaruit de identiteit van de aanvrager blijkt, een beschrijving van de uitvinding en één of meer conclusies. Binnen dit kader kan men later de aanvraag nog aanpassen en vervolledigen.

 

Het is dus mogelijk om met beperkte kosten (indieningstaks) een voorlopige aanvraag in te dienen om een vaste datum te verkrijgen, en pas nadien te besluiten al dan niet voortgang te maken met de procedure.

 

De datum van indiening is van belang voor verschillende aspecten:

– om nieuwheid te boordelen;

– om de voorrang te bepalen ten opzichte van andere aanvragen;

– om het recht van voorrang te bepalen indien nadien wordt overgegaan tot het registreren van het patent in andere landen (dit dient binnen de twaalf maanden te gebeuren);

– om de geldigheidsduur van het patent te berekenen: maximaal 20 jaar vanaf dit moment.

 

4. Nieuwheidsonderzoek

 

Nadat de toepasselijke taksen zijn betaald, maakt de Dienst voor de Intellectuele Eigendom het dossier over aan het Europees Octrooibureau. Het Europees Octrooibureau gaat dan over tot een nieuwheidsonderzoek en een schriftelijke opinie aangaande de andere octrooieerbaarheidsvoorwaarden.

 

Voor octrooiaanvragen ingediend voor 8 januari 2009 was dit nieuwheidsonderzoek facultatief, maar sedertdien is het verplicht. Een octrooi toegekend zonder nieuwheidsonderzoek is een zogenaamd ‘klein octrooi’ met een beperkte geldigheidsduur van 6 in plaats van de gebruikelijke 20 jaar. Het aanvragen van dergelijke kleine octrooien is niet langer mogelijk.

 

De resultaten van het nieuwheidsonderzoek en de andere bevindingen van het Europees Octrooibureau zijn niet bindend. Zij bieden ook geen enkele garantie. Zelfs wanneer het Europees Octrooibureau een negatief advies formuleert, wordt een Belgisch octrooi verleend indien de aanvrager dit wenst. De aanvrager kan zijn aanvraag eventueel aanpassen in het licht van het verslag.

 

De enige die bindend kan oordelen over de octrooieerbaarheid van een uitvinding naar Belgisch recht is de rechter. Hij is niet gebonden door de bevindingen van het Europees Octrooibureau.

 

5. Octrooiverlening en publicatie

 

Eens alle formaliteiten zijn vervuld, wordt het patent verleend en gepubliceerd in het officiële register (raadpleegbaar via de internetsite van de Dienst voor de Intellectuele Eigendom). Zoals hierboven vermeld geeft de toekenning van een patent geen enkele garantie of waarborg aan de houder. Wanneer de geldigheid van het patent in rechte wordt aangevochten, bv. door een concurrent of een namaker, zal de rechter oordelen over het al dan niet vervuld zijn van de toekenningsvoorwaarden. Dit is een belangrijk verschil met een Europees octrooi. Wanneer het Europees Octrooibureau vaststelt dat de octrooieerbaarheidsvoorwaarden niet zijn vervuld, zal het weigeren om een Europees octrooi te verlenen.

 

Het patent treedt in werking vanaf de dag van publicatie. Vanaf die dag kan de houder zijn exclusieve rechten ten volle uitoefenen.

 

G. Europese aanvraagprocedure

 

1. Aanvraag en formeel onderzoek

 

De Europese aanvraagprocedure duurt langer en is veel grondiger. De reden hiervoor is dat, in tegenstelling tot de Belgische Dienst voor de Intellectuele Eigendom, het Europees Octrooibureau de beslissing neemt betreffende de octrooieerbaarheid van de voorgelegde uitvinding.

 

De eerste stappen van de procedure zijn gelijklopend aan de Belgische procedure. Eerst en vooral is er een formeel onderzoek of de aanvraag correct is ingediend en de indieningstaks werd betaald (ontvankelijkheidsonderzoek). De formaliteiten zijn vrijwel identiek als deze onder de Belgische procedure:

 

a. Formeel verzoek tot verlenen van het octrooi

b. De identiteit van de aanvrager

c. De identiteit van de uitvinder

d. Beschrijving van de uitvinding

e. Tekeningen

f.  Eén of meerdere conclusies

g. Een uittreksel (abstract)

 

De Europese aanvraag dient minimaal één verdragsstaat aan te duiden waarbinnen bescherming wordt gevraagd. Zij dient te worden opgesteld in het Frans, Duits of Engels.

 

Wanneer het formele onderzoek is afgerond, wordt de belangrijke datum van indiening toegekend. Voor toelichting rond het belang van deze datum wordt verwezen naar de Belgische procedure.

 

2. Nieuwheidsonderzoek

 

Het Europese Octrooibureau gaat over tot het voeren van een nieuwheidsonderzoek. Hierbij wordt onderzocht of de uitvinding waarvoor een patent wordt aangevraagd, voldoet aan het criterium van nieuwheid. De resultaten hiervan worden niet alleen aan de aanvrager bezorgd, maar ook samen met de hele aanvraag gepubliceerd en bijgevolg toegankelijk voor het publiek.

 

3. Onderzoek naar de octrooieerbaarheid

 

Vanaf de datum van de publicatie van het nieuwheidsverslag beschikt de aanvrager over een termijn van zes maanden om een verzoek in te dienen tot het verder zetten van de procedure. Onderneemt hij geen actie, dan wordt verondersteld dat de aanvraag werd ingetrokken.

 

In deze periode onderzoekt het Europees Octrooibureau of aan de voorwaarden voor octrooiering is voldaan (uitvinding, uitvindershoogte, industriële toepasbaarheid, uitsluitingen). Gedurende deze fase kan in dialoog worden getreden met het bureau en kan de aanvraag worden bijgestuurd waar nodig in het licht van de opmerkingen van het bureau.

 

4. Octrooiverlening en publicatie

 

Wanneer het Europees Octrooibureau het eventueel aangepaste patent goedkeurt, wordt dit toegekend. Het is van kracht vanaf de datum van publicatie in het Europees Octrooitijdschrift. Wanneer het Europees Octrooibureau een negatieve beslissing neemt (bv. weigering tot toekenning van het patent of inperking van de beschermingsomvang), kan men beroep aantekenen tegen deze beslissing bij de Kamer van Beroep van het bureau.

 

5. Oppositie door derden

 

Derden kunnen binnen de negen maanden vanaf de publicatie van de octrooiverlening oppositie (beroep) aantekenen tegen het verleende octrooi bij het Europese Octrooibureau op basis van volgende gronden:

– er is niet voldaan aan de vereisten (uitvinding, nieuwheid, uitvindershoogte, industriële toepasbaarheid, uitsluitingen);

– de beschrijving van het octrooi is onvoldoende duidelijk;

– de beschermingsomvang van het toegekende patent wordt niet gedekt door de oorspronkelijk ingediende aanvraag.

 

Oppositie kan er toe leiden dat het bestreden patent wordt aangepast of wordt herroepen.

 

4. Kostprijs van patenten

 

Het aanvragen (en bekomen) van een octrooi is niet goedkoop. Afhankelijk van de gebieden (landen) en de complexiteit van het gewenste patent kunnen de totale kosten variëren tussen enkele duizenden euro tot enkele tienduizenden euro. De kosten van een complex octrooi dat wereldwijd wordt aangevraagd (Europa, Amerika, Japan, India etc.), kunnen oplopen tot 100.000 euro en meer.

 

De kosten zijn als volgt samengesteld:

 

– Administratieve kosten voor het indienen van de octrooiaanvraag (depot) en de procedure:

 

Voor een Belgisch octrooi bedraagt deze kost ongeveer 350€ (detail en actuele info vindt u op de website van de Dienst voor de Intellectuele Eigendom). Voor een Europees octrooi bedraagt deze kost ongeveer 3.000€ tot 5.000€ (meer detail en actuele info vindt u op de website van het European Patent Office).

 

– Kosten gespecialiseerde bijstand:

 

Wegens de complexiteit laat u zich best bijstaan door een octrooigemachtigde of advocaat. De kosten van deze bijstand zijn afhankelijk van de complexiteit van het aangevraagde patent en het verloop van de procedure. Wanneer er bv. in onderhandeling dient te worden getreden met de octrooiautoriteit of door derden oppositie wordt aangetekend, kunnen deze hoog oplopen.

 

– Kosten van vertaling:

 

Deze kosten zijn afhankelijk van de gekozen landen.

 

– Jaarlijkse administratieve kost voor instandhouding:

 

Deze kost dient te worden betaald vanaf het derde jaar en neemt ieder jaar toe. Voor een Belgisch octrooi bedraagt deze kost ongeveer 35€ tot 545€ per jaar (meer detail en actuele info vindt u op de website van de Dienst voor de Intellectuele Eigendom). Voor de instandhouding van de Europese octrooiaanvraag bedraagt deze kost ongeveer 420€ tot 1.420€ (meer detail en actuele info vindt u op de website van het European Patent Office). De instandhoudingstaksen van het uitgereikte octrooi zijn afhankelijk van de gekozen landen.

 

5. Patenten op software

 

Zoals hierboven uiteengezet, zijn computerprogramma’s als zodanig uitgesloten van bescherming via octrooi, en dit zowel onder de Belgische octrooiwet als het Europees Octrooiverdrag. De bescherming van computerprogramma’s is geregeld door de Softwarewet van 30 juni 1994. Onder deze wet worden computerprogramma’s auteursrechtelijk beschermd als werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie.

 

De keuze voor bescherming onder het auteursrecht heeft een belangrijk nadeel. Onder het auteursrecht wordt immers enkel de vorm (de code zelf) beschermd en niet de ideeën en concepten aan de basis van het computerprogramma, wat dan weer wel kan onder het octrooirecht.

 

Over de vraag of octrooien op software al dan niet dienen te worden verleend, bestaat veel polemiek. Voorstanders argumenteren dat software wordt gediscrimineerd (waarom is hardware wel octrooieerbaar en software niet?) en dat door het niet verlenen van softwarepatenten een groeiende achterstand ontstaat op de VS waar een dergelijke uitsluiting niet bestaat (volgens de principezaak State Street Bank van 1998 is in de VS alles wat nuttige, concrete en tastbare resultaten oplevert octrooieerbaar, dus ook software). Tegenstanders situeren zich voornamelijk in het kamp van de vrije software beweging. Zij stellen dat softwarepatenten onverenigbaar zijn met open innovatie en innovatie eerder tegenwerken dan stimuleren. Zij verwijzen hierbij graag naar patenten zoals het Amazon “1 click shopping”-systeem als voorbeeld van tot welke excessen het octrooisysteem kan leiden.

 

Tot welk kamp men ook behoort, men kan niet anders dan vaststellen dat ook in Europa octrooien op software worden verleend. Zo werden er door het Europese Octrooibureau reeds meer dan 30.000 Europese octrooien op sofware verleend. Dit komt omdat de uitsluiting enkel geldt voor computerprogramma’s als zodanig (as such).

 

Een octrooi op een computerprogramma zal immers wel worden toegekend wanneer de aanvraag niet een computerprogramma als zodanig betreft. Dit is onder meer het geval wanneer software deel uitmaakt van een groter geheel. In dergelijk geval spreekt men van een computer geïmplementeerde uitvinding. Denk maar aan een software in een apparaat zoals een telefoon of microgolfoven.

 

Maar ook wanneer een computerprogramma een ‘verder technisch effect’ veroorzaakt, betreft het geen computerprogramma op zich. Hiermee wordt bedoeld dat de software een effect moet ressorteren dat verder gaat dan de “normale” fysische interacties tussen het programma en de computer (hardware). Dit kan bv. het geval zijn in geval van softwarematige gegevensherkenning en –verwerking.

 

Maar op de vraag wat verder gaat dan de “normale” fysische interacties tussen het programma en de computer en wat niet, kan geen eenduidig antwoord worden gegeven. Over het algemeen is het aangewezen om de conclusies van het octrooi te formuleren als een technisch probleem dat door het programma wordt opgelost.

 

Om de verschillende interpretatie op te lossen van welke software voor octrooiering binnen de Europese Gemeenschap in aanmerking komt en welke niet, werd door de Europese Commissie, na een uitgebreide consultatieprocedure, in 2002 een voorstel van richtlijn gepubliceerd. Deze werd evenwel in 2005 door het Europese Parlement afgewezen. Vooralsnog is er geen nieuw voorstel van richtlijn gelanceerd.

patenten

Ywein Van den Brande
editie 2012
bottom of page